Ronde 1 (S/R-zones goud) →
Ronde 2 (strategieën goud) →
Ronde 4 (valuta-daytrades) →
Ronde 5 (intraday momentum valuta) →

Ronde 3: lage-frequentie regels op een gespreid ETF-universum

Research 2005-01 – 2020-12 (192 maanden), 9 US-ETF's, signaal op het maandslot en uitvoering op het slot van de eerste handelsdag daarna, kosten 0,10% van het verhandelde bedrag. Opzet vooraf vastgelegd in PLAN3.md. 25 trials. Hold-out H3 (2021-01 – 2026-09) 1× geopend, pre-sample P (1996–2004) 1× geopend, beide alleen voor de enige candidate. Alleen onderzoek: geen paper trading, geen Telegram, geen echt geld.

Oordeel in gewone taal

Kort: geen van de regels is aantoonbaar beter dan gewoon gespreid beleggen. Eén regel geeft een zwakke, onbevestigde aanwijzing.

Wat werkt (een beetje, onzeker)

Wat niet werkt

Wat opvallend maar niet stabiel is

Wat onzeker blijft

Begrippen, uitgelegd met de data

Opzet

Blok Periode Keer geopend
Research 2005-01 – 2020-12 –
H3 2021-01 – 2026-09 1 (alleen F3-60/40)
P (fondsen als proxy) 1996-01 – 2004-12 1 (alleen F3-60/40)

Overzicht: de vier primaire configuraties (research 2005–2020)

Sharpe-verschil = t.o.v. de volle baseline. MDD-verschil = t.o.v. dezelfde baseline met dezelfde tijd in de markt, in procentpunt (positief = de regel daalt minder). Tussen haken: 95%-bootstrap-interval.

Regel Baseline Sharpe-verschil MDD-verschil (pp) Status
F1 EW +0,13 [−0,26; +0,44] +13,3 [−1,7; +20,4] rejected
F2 EW −0,14 [−0,60; +0,28] +6,4 [−19,1; +13,2] rejected
F3-EW EW +0,06 [−0,19; +0,22] +10,0 [−3,2; +14,7] rejected
F3-60/40 60/40 +0,12 [−0,06; +0,26] +7,9 [−0,6; +11,6] candidate (+H3, −P)
CAGR Vol Sharpe MDD Slechtste jaar Belegd Omloop/jaar
Gelijk gewicht (EW) 7,0% 10,1% 0,61 −30,7% −16,3% 100% 46%
60/40 8,2% 8,4% 0,83 −29,1% −17,7% 100% 31%
F1 5,4% 5,7% 0,74 −8,4% −4,1% 69% 193%
F2 6,4% 12,3% 0,47 −23,7% −14,1% 98% 444%
F3-EW 6,2% 7,7% 0,67 −18,3% −10,9% 92% 114%
F3-60/40 7,6% 6,7% 0,95 −19,2% −12,5% 93% 99%

Vermogensgroei en dalingen, gelijk gewicht

Vermogensgroei en dalingen, 60/40

Tussen haken: de volle baseline.

2008 2020 Sortino Calmar MDD per dag Transacties/jaar
F1 −1,1% (−16,3%) +9,6% (+11,9%) 1,23 0,64 −10,4% 24
F2 +2,9% (−16,3%) +8,8% (+11,9%) 0,70 0,27 −25,8% 27
F3-EW −10,9% (−16,3%) +2,3% (+11,9%) 1,03 0,34 −20,9% 48
F3-60/40 −12,5% (−17,7%) +6,6% (+16,6%) 1,54 0,40 −21,0% 18

Per familie

F1 – Trendfilter per asset (N = 10)

Methode. Elke asset krijgt 1/K van het geld als zijn maandslot boven het gemiddelde van de laatste 10 maandsloten ligt; anders gaat dat deel naar cash. Idee: wie uit dalende trends stapt, ontloopt lange dalingen (Faber 2007). Vergeleken met gelijk gewicht over dezelfde ETF's.

Resultaat. CAGR 5,4% tegen 7,0% (EW). Sharpe 0,74 tegen 0,61. MDD −8,4% tegen −30,7%, en −21,7% voor de mix met dezelfde tijd in de markt (69%).

Onzekerheid en status: rejected. Criteria uit PLAN3 §9 (Sharpe / MDD):

Criterium Sharpe MDD
1 puntschatting > 0 ja ja
2 ≥ 80% van de trekkingen beter nee ja
3 interval niet te breed ja ja
4a ≥ 2 van 3 subperiodes nee nee
4b zonder de 2 beste jaren nee ja
4c zonder elke asset ja ja
5 bij 3× kosten ja ja
6 plateau in het grid ja ja
7 Sharpe niet slechter – ja

F1 per periode (2005–2009 tegen de rest). Het hele voordeel zit in 2007–2009 (zie de figuur). Zonder 2008 en 2018 is het Sharpe-verschil −0,05. De daling blijft dan wel iets kleiner (+2,3 pp zonder 2008 en 2007).

F1 in 2007–2009: welke assets belegd waren

F2 – Dual momentum (top 3 op 12-maands rendement)

Methode. Elke maand de 3 ETF's met het hoogste 12-maands rendement, elk een derde, maar alleen als dat rendement boven cash ligt; anders dat deel cash. Idee: wat goed liep, loopt nog even door, en stap uit als zelfs het beste slechter is dan cash (Antonacci 2014). Vergeleken met gelijk gewicht.

Resultaat. CAGR 6,4% tegen 7,0% (EW). Sharpe 0,47 tegen 0,61. MDD −23,7% tegen −30,7%, en −30,1% voor de mix met dezelfde tijd in de markt (98%).

Onzekerheid en status: rejected. Criteria uit PLAN3 §9 (Sharpe / MDD):

Criterium Sharpe MDD
1 puntschatting > 0 nee ja
2 ≥ 80% van de trekkingen beter nee nee
3 interval niet te breed ja nee
4a ≥ 2 van 3 subperiodes nee nee
4b zonder de 2 beste jaren nee nee
4c zonder elke asset nee ja
5 bij 3× kosten nee ja
6 plateau in het grid ja ja
7 Sharpe niet slechter – nee

F2 kost vooral rendement in zijwaartse jaren (2011 −8,8%, 2016 −8,0%, 2018 −14,1%): het koopt wat net gestegen is en wisselt vaak (27 transacties per jaar). Kanttekening bij de willekeurige timing van F2: daar was de tijd in de markt 81% in plaats van 98%. Per asset verschoven selecties leveren niet altijd precies drie assets tegelijk op. Die vergelijking is bij F2 dus minder zuiver; de andere toetsen wijzen dezelfde kant op.

F3 – Volatility targeting op gelijk gewicht (10%, 20 dagen)

Methode. Bereken elke maand de beweeglijkheid van de gelijk-gewicht-portefeuille over de laatste 20 handelsdagen. Beleg doel ÷ beweeglijkheid (max. 100%, geen hefboom), de rest in cash. Idee: onrust houdt aan, rendement niet (Moreira & Muir 2017).

Resultaat. CAGR 6,2% tegen 7,0% (EW). Sharpe 0,67 tegen 0,61. MDD −18,3% tegen −30,7%, en −28,3% voor de mix met dezelfde tijd in de markt (92%).

Onzekerheid en status: rejected. Criteria uit PLAN3 §9 (Sharpe / MDD):

Criterium Sharpe MDD
1 puntschatting > 0 ja ja
2 ≥ 80% van de trekkingen beter nee nee
3 interval niet te breed ja ja
4a ≥ 2 van 3 subperiodes ja nee
4b zonder de 2 beste jaren nee ja
4c zonder elke asset ja ja
5 bij 3× kosten ja ja
6 plateau in het grid ja ja
7 Sharpe niet slechter – ja

F3 – Volatility targeting op 60/40 (10%, 20 dagen)

Methode. Dezelfde regel op 60% SPY / 40% IEF. Gemeten tegen 60/40 zelf (Sharpe) en tegen 60/40 met dezelfde tijd in de markt (daling). Dit is de enige candidate.

Resultaat. CAGR 7,6% tegen 8,2% (60/40). Sharpe 0,95 tegen 0,83. MDD −19,2% tegen −29,1%, en −27,2% voor de mix met dezelfde tijd in de markt (93%).

Onzekerheid en status: candidate. Criteria uit PLAN3 §9 (Sharpe / MDD):

Criterium Sharpe MDD
1 puntschatting > 0 ja ja
2 ≥ 80% van de trekkingen beter ja ja
3 interval niet te breed ja ja
4a ≥ 2 van 3 subperiodes ja ja
4b zonder de 2 beste jaren ja ja
4c zonder elke asset n.v.t. n.v.t.
5 bij 3× kosten ja ja
6 plateau in het grid ja ja
7 Sharpe niet slechter – ja

Zonder elk jaar apart blijft het voordeel bestaan: minimaal +0,08 Sharpe en +5,2 pp daling. Er is dus niet één jaar dat alles draagt. Per asset komt het voordeel uit het aandelendeel: dezelfde regel op SPY alleen gaf +0,10 Sharpe, op IEF alleen +0,00 (IEF was gemiddeld voor 99% belegd).

Deel belegd van F3-60/40, 1996–2026

Hold-out H3 en pre-sample P (alleen F3-60/40, elk 1× geopend)

Exact dezelfde regel en meting als in research, met de tijd in de markt uit het blok zelf.

Blok CAGR regel / 60/40 Sharpe MDD Sharpe-verschil MDD-verschil (pp)
Research 2005–2020 7,6% / 8,2% 0,95 / 0,83 −19,2% / −29,1% +0,12 [−0,06; +0,26] +7,9 [−0,6; +11,6]
H3 2021–2026 7,6% / 7,9% 0,50 / 0,47 −16,9% / −20,4% +0,03 [−0,12; +0,11] +1,9 [−0,8; +3,7]
P 1996–2004 7,1% / 8,6% 0,44 / 0,54 −20,7% / −21,1% −0,10 [−0,23; +0,01] −2,4 [−6,2; +0,9]

Status F3-60/40: blijft candidate, wordt niet validated.

Robuustheid

Het hele grid

Alle 25 trials, kosten 0,10%. Het witte kader is de vooraf gekozen cel.

Heatmaps van het hele grid

Per asset (breedte)

Per asset

Leave-one-asset-out: steeds één ETF weggelaten, uit regel én baseline (bandbreedte over de 9 keer).

Regel Sharpe-verschil MDD-verschil (pp)
F1 +0,09 … +0,14 +9,7 … +16,7
F2 −0,15 … +0,02 +2,1 … +13,4
F3-EW +0,03 … +0,10 +6,2 … +12,4

Kosten, timing en valuta

Regel Sharpe-verschil bij 0% / 0,30% kosten Signaaldag / 2e handelsdag EUR (i) / (ii) Sharpe EUR (i) / (ii) MDD
F1 +0,16 / +0,07 +0,23 / +0,10 −0,15 / +0,08 +1,1 / +4,0
F2 −0,11 / −0,20 −0,12 / −0,15 −0,23 / −0,20 +1,0 / +1,2
F3-EW +0,07 / +0,04 +0,07 / +0,04 −0,08 / −0,01 +4,9 / +6,7
F3-60/40 +0,13 / +0,10 +0,12 / +0,10 −0,03 / +0,04 +2,0 / +3,1

Rolling 10-jaarsvensters

Ieder punt is een periode van 10 jaar (MDD-verschil met de tijd in de markt van de hele periode). Vensters met 2008 erin (einde t/m 2017) tonen bij F1 en F3 een voordeel.

Rolling 10 jaar

Willekeurige timing

1000 portefeuilles per regel met dezelfde tijd in de markt en evenveel wissels, maar op willekeurige momenten.

Willekeurige timing

Statistisch vermogen: wat kon deze data aantonen?

Regel SE Sharpe-verschil Kleinste aantoonbare Sharpe-verschil Kleinste aantoonbare MDD-verschil
F1 0,19 +0,52 +17 pp
F2 0,23 +0,64 +24 pp
F3-EW 0,11 +0,31 +15 pp
F3-60/40 0,09 +0,25 +10 pp

Hoe weeg je dat? Het gevonden verschil van F3-60/40 (+0,12) is de helft van wat deze data kan aantonen (+0,25). Zelfs als het effect echt is, kon dit onderzoek het niet bewijzen. Omgekeerd betekent 'niet bewezen' hier niet 'bestaat niet'. Het effect is klein, en het teken is in P omgeslagen.

Correctie voor 25 trials

Gekozen methode: de Reality Check (zie Begrippen). De deflated Sharpe ratio past hier niet: die toetst of één Sharpe boven nul ligt, en buy-and-hold heeft zelf al een positieve Sharpe. Wij willen weten of een regel beter is dan de baseline.

Regel p (Sharpe) p (MDD)
F1 0,544 0,038
F2 0,995 0,200
F3-EW 0,718 0,065
F3-60/40 0,568 0,097

Alleen de daling van F1 komt onder 0,05 (p = 0,038). Dat is het 2008-effect. F1 is rejected op stabiliteit, en een candidate-status is nodig voordat de correctie meetelt.

Wat ik geprobeerd heb kapot te maken

Geen resultaat haalde de drempel van het "te mooi"-protocol (Sharpe-winst > 0,40, of daling < 10% bij een even hoog rendement). F1 kwam met een daling van 8,4% wel dicht bij "bijna geen daling", bij een lager rendement. Daarom heb ik voor alle vier gecontroleerd:

  1. Lookahead: tests (tests/test_etf.py) laten zien dat signalen niet veranderen als de koersen ná het signaalmoment veranderen, en dat het rendement op de uitvoeringsdag nog bij de oude gewichten hoort.
  2. Signaaltiming: een dag eerder of later uitvoeren verandert de uitkomst weinig (zie de tabel).
  3. Dividend en Adj Close: het totaalrendement uit Adj Close komt per ETF en per jaar tot op 0,07 procentpunt overeen met slotkoers + zelf herbelegde dividenden. Een onafhankelijke herberekening van 60/40 geeft 8,14% per jaar (motor: 8,17%).
  4. Overlevingsbias: het universum is achteraf gekozen (alle 9 ETF's bestaan nog). Dat helpt elke regel én de baselines, dus we meten alleen verschillen. Leave-one-asset-out laat zien dat geen enkele ETF het resultaat draagt.
  5. Eén jaar of periode: zonder 2008 valt het Sharpe-voordeel van F1 en F3-EW weg. Bij F3-60/40 blijft het zonder elk jaar apart positief, maar in P (1996–2004) was het negatief.
  6. Kosten 3×: verandert de status van geen enkele regel.

Wat betekent dit in de praktijk?

Geen advies. Dit onderzoek laat geen regel zien die aantoonbaar beter is. Wie een regel wil gebruiken, doet dat om persoonlijke redenen (rustiger slapen in een crisis), niet omdat het bewezen meer oplevert.

Hoe vaak handelen?

UCITS-alternatieven (suggesties; in de EU kun je de US-ETF's meestal niet kopen):

US-ETF Mogelijke UCITS-tegenhanger (voorbeeld)
SPY iShares Core S&P 500 UCITS ETF (Acc), IE00B5BMR087; Vanguard S&P 500 UCITS ETF, IE00B3XXRP09
IEF iShares $ Treasury Bond 7-10yr UCITS ETF (ook in een EUR-hedged versie)
TLT iShares $ Treasury Bond 20+yr UCITS ETF
LQD iShares $ Corp Bond UCITS ETF
EFA een MSCI EAFE- of MSCI World ex USA-UCITS-ETF
EEM iShares Core MSCI EM IMI UCITS ETF, IE00BKM4GZ66
VNQ iShares US Property Yield UCITS ETF
GLD fysiek goud-ETC, bijv. iShares Physical Gold ETC, IE00B4ND3602 (een ETC, geen UCITS-fonds)
DBC een brede grondstoffen-UCITS-ETF (andere index dan DBC!)

Controleer zelf bij je broker:

Ik heb de ISIN's uit mijn kennis gehaald en niet online gecontroleerd.

Wat onzeker blijft en wat je zelf moet controleren

Bestanden: PLAN3.md, research/round3/results/ (results.json, grid.csv, holdout_*.json), code in etf/.